Toen stortte de storm zich op de haven, grommend als een roofdier dat zijn prooi bespringt. In minder dan een seconde was de stille wereld veranderd in een chaos van opgezweept water en rondvliegend zwerfvuil. Kranen stortten in, grote stukken golfplaat werden van daken losgescheurd. Zware vrachtschepen rukten aan de extra kabels waarmee ze waren vastgesjord. Hier en daar helde een schip vervaarlijk over en verloor zijn containers. Van Levs huis vloog een wolk van dakpannen omhoog, als kraaien tegen de donkere lucht.
(Uit: De fluisterkelders, Leopold 2006)